| Bestaande
toekomstvisies
|
|
De bestaande toekomstvisies borduren vooral voort op de uitkomsten van de zogenoemde Oostflankstudie van rijk en de betreffende provincies en gemeenten. De studie, die medio 1998 is uitgebracht, leidt tot een stedelijke ontwikkeling op de as Amsterdam-Almere-Amersfoort. Binnen deze ontwikkelingsrichting wordt een sterk accent gelegd op een oostelijke uitbouw van Almere. Een belangrijke infrastructurele drager daarvoor is de zg. Amersfoortse (spoor)- lijn of Oostflanklijn die ook een locatie in het zuidelijk deel van Zeewolde (Eemstad) ontsluit. De opvangfunctie voor een deel van de woningbehoefte van de Randstad is vooral gebonden aan het meest zuidelijk deel van Zuidelijk Flevoland en is in deze studie nog relatief beperkt van omvang. Deel I, Ontwikkelingsvisie 2030 van het Omgevingsplan Flevoland, dat eind 2000 door de provincie is uitgebracht, volgt in grote lijnen dit spoor. De in de Omgevingsplankaart aangegeven studiegebieden bieden - vanwege de in de Vijfde Nota drastisch opgevoerde opvangfunctie van Almere – inmiddels echter onvoldoende capaciteit voor de gewijzigde vraag naar wonen en werken voor de periode 2010-2030. Het studiegebied zal bij de gegeven ontwikkelingsrichting op zijn minst vergroot moeten worden met het gehele gebied tussen het Horsterwold en het Eemmeer, (Zie kaart 1). De nadruk ligt al met al sterk op een eenzijdige verstedelijking van het meest zuidelijk deel van Flevoland. Dit bevordert de bovengenoemde tweedeling en zal mettertijd de eigen identiteit van Flevoland als geheel kunnen ondergraven. Als aanzet voor de verstedelijking op langere termijn (2050) biedt het Omgevingsplan Flevoland - bij een te verwachten aanhoudende verstedelijkingsdruk - zéker onvoldoende uitzicht op een evenwichtige verstedelijkingsbeeld. Ook het voorkeursmodel van het Congres 'Extra dag voor Flevoland', (model 1, kaart 2), dat als toekomstvisie 2050 duidelijk verder reikt dan de bovengenoemde Ontwikkelingsvisie, heeft nog onvoldoende rekening (kunnen) houden met de mogelijkheden, die een omvangrijk woningbouwprogramma biedt om de samenhang tussen Zuidelijk en Oostelijk Flevoland te bevorderen. Ook hier ligt de nadruk nog sterk op een eenzijdige benutting van het zuidelijk deel van Zuidelijk Flevoland. Het vliegwieleffect van een versnelde groei op middellange termijn geeft ook in dit model problemen voor een evenwichtige verstedelijking op langere termijn. De discussie zal derhalve moeten worden verbreed. Daarvoor zijn de modellen II, III en IV ontwikkeld. |