Werkgroep Noordoostpolder

samenlevingsopbouw

 
Leden werkgroep:

Willy Schutte

Henk Wortel (secr.)

Albert Roozenburg

Jetze Kempenaar

Deskundigen:

Dr. Leo van den Berg van de Univ.van Wageningen

Dr. Martin Dijst van de Universiteit van Utrecht.

Martin van Dolderen van Rabo-vastgoed

 

Datum symposium 13 december 2004
Programma symposium

 

programma Noordoostpolder (pdf-bestand)

 

Resultaten:

 

 

 

eindverslag (pdf-bestand)

 

Resultaten middagdiscussies

 

Nieuwe wegen naar een gezonde leefomgeving

Bij deze discussie in gaan we er nog steeds vanuit dat de Flevolandse bevolking in 2050 uitgegroeid is tot 1 miljoen inwoners. Dat uitgangspunt vindt zijn onderbouwing in het navolgende:

De verstedelijking in ons land heeft, als gevolg van de steeds verdergaande concentratie van de werkgelegenheid, vooral plaats gevonden in de Randstad.

Door de steeds maar groeiende ruimtebehoefte per inwoner voor wonen, werken en recreë-ren, is de beschikbare ruimte binnen de Randstad beperkt geworden. Dat geldt in mindere mate eveneens voor de regio Kampen-Zwolle-Apeldoorn-Arnhem-Nijmegen.

Ook de middengroepen van allochtone afkomst zullen de beslotenheid van hun hoogstede-lijke samenlevingsverbanden verlaten en zich elders gaan vestigen, waarvan velen in Flevoland.

 

Als we de huidige Flevolandse samenleving willen omschrijven, dan moeten wij opmerken dat er sprake is van een scherpe tweedeling. Het overgrote deel van de inwoners woont in de steden Almere en Lelystad.Opmerkelijk daarbij is dat er in beide steden weinig of geen binding bestaat met de omliggende 'buiten'ruimte. Men staat als het ware met de rug naar de rest van de provincie. Dat gaat zelfs zo ver dat men voor buitenstedelijke recreatievormen de provincie verlaat.

Er zijn daardoor twee afzonderlijke werelden ontstaan: De twee steden en de rest van de provincie. Dat geldt zeker ook omgekeerd. De agrarische sector, maar ook de andere vier gemeenten, voelen zich nauwelijks betrokken bij het gebeuren in beide steden. Tot op heden heeft een belangrijk deel van de 'overloop' vanuit het noordelijk deel van de Randstad een plek gevonden in onze polders. De polder 'Zuid-Flevoland' heeft daarvan het overgrote deel opgevangen, waarbij opgemerkt dient te worden dat die nieuwe bewoners vooral afkomstig waren uit de middengroepen van de samenleving. Dat werd onder andere veroorzaakt door drie factoren.

Er was, in tegenstelling tot Amsterdam en 't Gooi, in beide Flevolandse steden, voldoende direct beschikbare woonruimte.

Flevoland bood een aantrekkelijke woonomgeving. Ruimte, groen en een schoon en nieuw leefklimaat.

De afstand tot de werkplek, die vooral in de Noordelijke Randstad gelegen was, was voor de middengroepen zowel fysiek als financieel overbrugbaar.

 

Die laatste factor was en is voor de maatschappelijke onder- en bovenlaag minder belangrijk. Voor de bovenlaag is de grens van de fysieke en financiële bereikbaarheid verder gelegen terwijl die bovenlaag eveneens in staat is de lekkerste krenten uit de stedelijke woon'pap' te pikken. Voor de stedelijke onderlaag zijn er buiten de onbereikbaarheid nog een tweetal redenen om zich niet in Flevoland te vestigen:

In de eerste plaats zijn dat de woonlasten, die op het  'Oude land' veel lager zijn.

Vervolgens leeft  de onderlaag in milieus, die in Flevoland bijna niet beschikbaar zijn. Dat is een gegevenheid, die veel te vaak over het hoofd gezien wordt. De volkswijken in de oude steden vormen sociale, maar ook economische eenheden waarbinnen de onderlaag zich financieel en mentaal kan handhaven.

 

Bij zijn verdere ontwikkeling heeft Flevoland te maken met drie uitdagingen:

De bereikbaarheid van de Randstad zal in de komende vijftien jaar steeds meer onder druk komen te staan, waardoor de bevolkingsdruk vanuit het westen en het zuiden zal afnemen.

De herstructurering van de agrarische sector in Flevoland zal zeker ook nog twee decennia vergen.

De huidige regering heeft aan de provincies en de gemeenten de mogelijkheid geboden om een eigen woonbeleid te ontwikkelen, waarbij de scheiding tussen stad en platteland door-broken mag worden.

 

Flevoland krijgt in de periode tot 2020 dus de gelegenheid om zich, uitgaande van de bestaande situatie, te ontwikkelen tot een meer geïntegreerd en harmonieus woon- en leefgebied, zodat er een gezonde basis ontstaat waarop de verdere ontwikkeling van Flevoland gestalte kan krijgen. De periode tot 2050 zullen we dus moeten onderverdelen in twee tijdvakken, namelijk de periode tot 2020 en die van 2020 tot 2050, waarbij vooral de eerste van essentieel belang zal zijn. Als we ons daarbij concentreren op samenlevingsverbanden, dan komen wij tot de volgende vragen:

In welk opzicht zal onze samenleving in de komende decennia gaan veranderen:

Gaat vergrijzing zich verder doorzetten (met name in de Noordoostpolder en Oost Flevoland)?

Zullen de steden Almere en Lelystad een meer homogene opbouw krijgen (naast gezinnen ook ruimte voor alleenstaanden en kleine huishoudens?

Trekken de jongeren weg of kunnen we aan de nieuwe generaties voldoende mogelijkheden bieden om in Flevoland te blijven, cq naar Flevoland te komen?

Zijn er in onze westerse wereld tendensen waarneembaar die wijzen naar een verandering in de woonbehoeften van mensen?

Zijn er tendensen, die wijzen op een andere relatie tussen stad en platteland?

Is het zinvol gebruikt te maken van de geboden mogelijkheid om de woonfunctie van het platteland te versterken?

Wat zal de relatie moeten worden tussen wonen, werken en recreëren?

In de Noordoostpolder zijn vanaf de inrichting van dat gebied kleine woongemeenschappen gecreëerd rond een centrale voorzieningenstad Emmeloord. Heeft het zin deze opzet te versterken en wat zijn de mogelijkheden om dat doel te bereiken.

Zouden kleine woongemeenschappen ook in de Flevopolders een kans moeten krijgen en welke voorwaarden moeten daarbij gesteld worden?

Zowel Almere als Lelystad hebben een suburbaan karakter. Moet dat gehandhaafd blijven of zal er in die steden meer ruimte geboden moeten worden aan (hoog)stedelijke woonmilieus?

Wat zal er in 2020 gerealiseerd moeten zijn, om met vertrouwen de periode tot 2050 binnen te gaan?